Uncategorized

Gekochte dagen: Hoofdstuk 4

lazarus3

Ik besluit dat ik het meeste kans heb om te nachtkijker ongezien terug te halen wanneer het schemert. In volle daglicht teruggaan lijkt me nogal vragen om betrapt worden door neuzige buitenwijkburen en no way dat ik ’s nachts nog durf teruggaan na wat er op Halloween gebeurde.
Die flits zit me nog altijd dwars en de zweverige stem die zich doodleuk bij ons gesprek voegde om à propos even te melden dat zijn naam Winters was – een feit dat ik inmiddels heb proberen bevestigen via Google, maar volgens mij hebben ze hun achternaam veranderd – loopt nog regelmatig over mijn ruggengraat als een optocht van ontlede spinnenpoten.

Na het avondeten verzamel ik mijn moed. Ik wandel richting de chique wijk waar de stenen villa van de Lazarussers helemaal aan het eind van ligt – aan de grens met het Vredesbos.
Ik spreek mezelf moed in: Hup, Delani, je kan dit wel. Gewoon even de struiken induiken, nachtkijker localiseren en dan weg. Een auto hebben klaarstaan zou natuurlijk beter zijn voor een gezwinde getaway, maar zonder rijbewijs brengt dat weer een geheel nieuwe lading van wetsperikelen met zich mee.
Ik had een lift aan Milly kunnen vragen, maar voor de één of andere reden wil ik haar hier niet bij betrekken.
Het lijkt alsof we al het hele jaar uit elkaar aan het groeien zijn, wetende dat het universiteitsleven dat sowieso met ons zal doen. Ze weet nog altijd niet van mijn acceptatiebrief. Dat zegt eigenlijk al genoeg. Of het zegt alleszins genoeg over mij, gezien ik het nog aan geen ziel heb toevertrouwd dat mijn droom is uitgekomen. De Vrijsdense Universiteit. Biochemie. Een kot op de campus, betaald door mijn zuurverdiende studiebeurs.
Wanneer ik aankom bij de Lazarusvilla is het al aardig donker – donkerder dan ik gehoopt had. Met mijn smartphone als zaklamp, zoek ik in het gras langs het voetpad waar we met de fleecedeken gekampeerd zaten naar een teken van de nachtkijker.
Volgens mij moet ‘ie … daar!
Er ligt iets in het gras verscholen, half onder de buxushaag, maar wanneer ik dichter kom zie ik dat het maar een wit, vierkant papiertje is. Neen, geen papiertje. Een foto. Een polaroid, om precies te zijn.
Wie maakt er nu nog polaroids? Waren die niet failliet, of zo? Het is niet eens zo’n fake Instagrampolaroid die je online kan bestellen via een app, het is the real deal – dat voel je aan de verdikking aan de onderkant.
Mijn adem stokt en ik vergeet wat ik aan het denken was, wanneer ik zie wat er op de foto afgebeeld staat: ik met de nachtkijker voor ogen, hier in deze tuin, half verscholen achter een struik.
Dus dat was die flits – één van de Lazarussers heeft een foto van me genomen toen ik hier was!
Het lijkt heel plots alsof het zachte herfstbriesje me probeert te wurgen, want opeens krijg ik geen lucht meer van de schrik: alle films die ik ooit over stalkers heb gezien spelen tegelijkertijd af in mijn gedachten.
Met bonkend hart draai ik de polaroid om en zie ik dat er iets op geschreven staat: ‘Zoek je deze?’

***

De villa staat ietsje hoger dan straatniveau, gebouwd op een kunstmatige heuvel, dus ik moet met mijn bibberende benen een draaiende stenen trap omhoog om de dorpel te bereiken.
Daar sta ik dan, voor de voordeur van de familie Winters. Er staan vijf uitgekerfde Halloween-pompoenen in een kunstige opstelling op en onder een houten bankje naast de deur. In hun holle monden branden ledlampjes die het effect van kaarslicht geven. In de pompoen op de vensterbank – zowat op schouderhoogte – knippert een rood lampje.
Ik loer doorheen de gekartelde tanden van vaaloranje pompoenenvlees en zie dat er een beveiligingscamera in verstopt zit.
Shit. Ik recht mijn rug en slik de zenuwen weg.
Maar voor ik durf aanbellen valt mijn oog op een pompoen met vampierentanden die druipen van glanzende rode verf, of misschien zelfs nagellak. Ondanks de toenemende angst, ontsnapt er me een snuivend lachgeluid: ze hebben dan tenminste nog een zelfrelativerend gevoel voor humor, deze Lazarussers.

Wat Google me niet had kunnen bevestigen over het mysterieuze gezin dat over de tongen van heel Traasdal gaat, staat hier natuurlijk gewoon voor Jan en alleman te lezen: Fam. Winters, is er netjes op een wit strookje papier onder de bel geplakt. Ik kan het nu echt niet langer uitstellen, dus ik sluit mijn ogen en adem diep in zoals ik doe voor ik van de hoge duikplank moet springen tijdens de zwemles en druk op de bel, die ik binnen kan horen rinkelen.
Wanneer ik nog geen twee tellen later mijn ogen weer open doe, staat de deur zonder dat ik een klink naar beneden heb horen gaan wagewijd open.
Een 11-jarig meisje in een ballerinatenue staart me doodsbang aan, alsof de duivel op haar dorpel staat. Ze is opgedost alsof ze net naar de balletles gaat vertrekken: een vaalroze body, bleke panty’s en spitsen. Rond haar hals draagt ze een matchend sjaaltje van roze satijn. Doorheen het dunne stofje meen ik in een oogwenk iets donkers rond haar keel te zien – iets dat ze wilt verbergen.
Oh God.
Is dat …
Ik staar even onthutst naar haar terug maar slik snel mijn ongemak weg – het is tenslotte maar een jong meisje, zo onschuldig als wat – en vind ergens een onzekere glimlach om haar bij wijze van begroeting  te schenken. Haar ogen worden daarop nog groter en banger dan ze eerst al waren en ze zet een stap achteruit.
Ze doet me denken aan Ginny Weasley die Harry Potter voor het eerst ontmoet op perron 9 ¾, maar dan blonder en onmogelijk veel bleker.
Iets trekt mijn ogen opnieuw naar het sjaaltje. Ze slaat een hand rond haar hals om die van mijn onderzoekende blik af te schermen en ik kijk snel weer omhoog, naar haar angstige poppenogen: “Euh, sorry als ik je doen schrikken heb”, begin ik met trillende stem. Dan houd ik de polaroid omhoog (hopend hier weer weg te kunnen met zo min mogelijk interactie) en wijs ik naar de nachtkijker die erop afgebeeld staat: “Ik ben op zoek naar deze.”
De kunstgeschiedenisles over ‘Ceci n’est pas un pipe’ die we vorig schooljaar kregen, drijft naar de voorgrond van mijn gedachten. Een vreemde angstreactie, terwijl ik daar op de dorpel van de Winters nog steeds aangestaard word door een prima ballerina die haar tong heeft ingeslikt. Dat sjaaltje …
Ik herinner me het verhaal van Alvadors broer en huiver. Neen, ik geloof niet in zijn stomme urban legend. Dit meisje is gewoon verlegen, da’s al. En ze … houdt van sjaaltjes. Niets abnormaals aan de hals, euh, hand.
Trouwens, er is geen Lazaruslabo ter wereld dat de behandeling zou uitvoeren bij zo’n jong meisje. Maar als je genoeg afdokt – misschien de aanbouw van een nieuwe vleugel van het laboratorium sponsort …
We worden onderbroken: “Sophie, wie is daar?”
Een oude, kokette vrouw die met een uitstekend pinkje – alsof ze op de high tea zit bij koningin Elizabeth – een wasmand vasthoudt, verschijnt achter haar in de gang. Ze staart door de open deur recht naar mij en ondanks het feit dat er nog minstens 6 meter tussen ons zit, krijg ik het er koud van. Meteen identificeer ik haar als de rijke groottante die volgens het verhaal de Lazarusprijs voor haar familieleden betaald zou hebben.
Het ballerinameisje – dat dus blijkbaar Sophie heet – sprint elegant weg op haar spitsen terwijl de oude vrouw met de wasmand dichter komt, haar ogen tot spleetjes geknepen. Ze draagt een dure paarlenketting en van die typische oude vrouwtjesschoenen met een semicomfortabele halfhogehak. Haar haar is even bleek als dat van Sophie, en wordt omhooggehouden door een halve bus haarlak en in haar geval volgens mij ook pure wilskracht.
Ze is een taai oud vrouwtje, dat zie je meteen. Een bitch in een omaonderbroek is nog altijd een bitch.
“Sorry, mevrouw, maar ik zoek …”
“Jij hebt hier niets te zoeken, meisje. Maak je weg”, sneert ze, maar voor ze de deur tegen mijn neus kan dichtslaan – wat ze duidelijk wil doen – verschijnt er een lange, doodsbleke jongen in het deurgat.
“Eigenlijk heeft ze hier wel degelijk iets te zoeken, tante. Ik heb haar uitgenodigd.”
Zijn stem herken ik meteen: het is de spookstem die zich aan ons had voorgesteld die nacht, waaierig als de wind, stil en ruw en zacht.
“Oh ja?”
Zijn ‘tante’ gelooft er duidelijk nougatbollen van en richt zich, de wasmand op een laag tafeltje naast de deur balancerend, naar haar neef, die ik ongeveer even oud als mij schat – misschien een beetje ouder. Negentien of twintig, besluit ik.
“Wat is haar naam dan?” vraagt ze schamper.
De jongen kijkt me aan en nu pas zie ik dat ook hij een sjaal draagt: een antracietgrijs exemplaar van fijngeweven kasjmier. Shit. Shitshitshit. Had Alvadors broer dan toch gelijk? Ik beeld me in dat er bloed doorheen sijpelt en even meen ik van m’n sus te gaan of op mijn hielen te keren en weg te rennen – één van de twee.
Fuck die nachtkijker!
“Haar naam is Delani Wilfrieds, tante. Ze is een vriendin. Is dit kruisverhoor nu ten einde?” vraagt hij in zijn stille stem, die me afleid van mijn vluchtplannen.
Het oude vrouwtje vernauwt haar schrandere ogen nog ‘ns naar de jongen, geeft mij een onverbloemd verachtende blik, neemt de wasmand beet en verdwijnt op hakken die een dof geklikklak door de hal sturen.
Ik kan het niet helpen een opgeluchte zucht los te laten wanneer ze weg is. Maar ja, ik sta nog altijd voor de deur van een familie waarvan ik de Lazarusgeruchten almaar meer begin te geloven, alleen met een jongen die een foto van me genomen heeft en die me blijkbaar dan ook nog eens met naam en toenaam kent.
“Hoe weet je wie ik ben?” vraag ik dan ook meteen, er niet om gevend dat ik als een onbeleefd wicht overkom.
Hij meet me op met inktblauwe ogen die dicht bij elkaar staan boven een knappe neus en een dunlippige mond.
“Kan ik je niet gewoon mijn naam vertellen, en dat we daarmee quite staan? Hugo Winters”, steekt hij zijn hand uit.
Ik kijk een tijdje naar die bleke, slanke, uitgestoken hand en weet niet wat doen. Natuurlijk heeft hij niets besmettelijks – niet als de geruchten over zijn doodsoorzaak waar zijn, tenminste – en ik weet ook wel zeker dat Lazarussers zich niet voeden zoals vampiers dat doen, ondanks het feit dat ze wel min of meer hetzelfde dieet volgen. Hem de hand schudden zou dan ook volkomen veilig moeten zijn.
Ik doe het.
Van het moment dat onze handen contact maken, weet ik het zo zeker als ik weet dat ik niet had moeten komen. Zijn hand is ijskoud.

Hugo Winters is precies wat ze over hem vertellen. Hugo Winters is hartstikke ondood.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s